Begin met het deeg.
Meng in een grote kom de bloem, geraspte Emmentaler, een snuf zout en versgemalen zwarte peper.
Wrijf de koude boter door het bloemmengsel tot het lijkt op broodkruim.
Kneed de dooier erdoorheen en voeg eventueel een paar druppels ijswater toe tot het deeg samenkomt.
Vorm het deeg tot een platte bal, wikkel het in folie en laat het 1 uur rusten in de koelkast.
Voor de vulling: kook de aardappelen 10 minuten in gezouten water.
Giet af en spoel ze af met koud water.
Snijd in dunne schijfjes.
Hussel de aardappelschijfjes voorzichtig door de appels en zet apart.
Verhit de boter in een steelpan en fruit de sjalotten tot ze glazig en goudbruin zijn.
Voeg de tijmblaadjes en bloem toe en roer goed door op middelhoog vuur.
Voeg al roerend het bier of de bouillon toe en laat de saus indikken.
Breng op smaak met mosterd, zout en peper.
Laat de saus iets afkoelen, roer er een pollepel saus door het losgeklopte ei, en meng dit dan terug door de saus.
Meng de saus door de aardappel- en appelschijfjes, voeg de geraspte Emmentaler en een vleugje chipotle- of isotpeper toe.
Verwarm de oven voor op 200 graden Celsius.
Verdeel het deeg in twee delen, één derde en twee derde.
Rol het grootste deel uit en bekleed hiermee een ingevette springvorm van 24 cm.
Schep de vulling in de vorm en rol het overige deeg uit.
Snijd er stroken van en weef deze over de taart.
Druk de randen aan met een vork en bestrijk de taart met het laatste losgeklopte ei.
Bak de taart 50-60 minuten in de voorverwarmde oven, tot hij mooi goudbruin is.
Laat de taart 15 minuten rusten voor het aansnijden.
Serveer met een frisse salade van witlof, bleekselderij en bladpeterselie.