Snij de bosui fijn en bewaar even op een schoteltje.
Pel van de witlof een stuk of 6 mooie, witte bladeren, spoel ze af met koud water en leg ze even apart. (Let op: het harde gedeelte van witlof is bitter, niet gebruiken dus.)
Pak de taugé en verwijder alle groene vliesjes van de kopjes en haal de lelijke, bruine staartje eraf.
Bewaar de taugé even in een bak met water.
Snij de tahoe in dobbelsteentjesformaat (1,5 x 1,5 x 1,5, zoiets) en dep de blokjes droog met keukenpapier.
Zet nu je grote bakpan op het vuur en giet er ruimschoots olie in (een laag van ongeveer anderhalve centimeter).
Verhit de olie tot ongeveer 120 – 140 graden en frituur de blokjes – niet teveel tegelijk, elk blokje moet een eigen plek hebben in de pan – langzaam totdat ze goudbruin van kleur zijn.
Schep de tahoe tijdens het frituren regelmatig om.
Laat de gefrituurde blokjes uitlekken in een vergiet met keukenpapier.
Note: als je de blokjes tahoe in olie gooit dat te heet is, worden de randjes van die blokjes bijna onmiddellijk bruin en hard. Niet lekker. De olie kan beter te koud zijn dan te heet want je kan altijd het gas nog hoger zetten als dat nodig is, maar van die harde bruine randjes kom je niet meer af. En dat is zonde.
Pak de verse selderij, of knip zoals wij wat uit je kweekbak :D
Snij ’t fijn en zorg dat je ongeveer 2 volle eetlepels hebt.
Droog de blaadjes witlof of sla met keukenpapier en snij ze in korte reepjes.
Doe de taugé in een vergiet en schenk er een liter kokend water overheen.
Direct naspoelen met veel, koud water en uit laten lekken.
Dat kokend water is van groot belang omdat er altijd een kans bestaat dat er op taugé nare en ongewenste bacteriën leven.
(En je wil natuurlijk niet na het genieten van je ketoprak 4 dagen op de toilet doorbrengen!)