Neem een kookpan en vul het driekwart met water.
Dit water laten koken, zodra het kookt op het vuur laten staan. Het water moet blijven borrelen.
Ondertussen 2 á 3 schijven goelah djawah (bruine suiker) in kleine blokjes snijden, van ongeveer een ½ cm.
In een kom de ketanmeel en kokosmelk goed mengen.
Een paar druppels groene kleurstof erbij doen en goed mengen.
Het geheel een pastelgroene kleur hebben.
Van dit alles een mooie, droge,deegbal maken, het mag niet aan de vingers plakken.
Vervolgens kun je van dit meel, kleine ronde balletjes maken (iets kleiner dan een pingpongbal).
Neem een stukje deeg, maak er een balletje van en doe er een klein kuiltje in.
Stop in het kuiltje een stukje bruine suiker en maak het mooi dicht.
Maak ongeveer 10 van deze gevulde balletjes en doe ze dan één voor één in de pan met borrelend water.
Als de balletjes boven drijven, zijn ze klaar.
Het deeg is nu gaar en de suiker in het balletje is nu gesmolten
Heel voorzichtig de balletjes eruit halen en in het vergiet met de kokos doen.
De balletjes één voor één door de geraspte kokos wentelen, totdat ze helemaal bedekt zijn.
In deze volgorde ga je door totdat het deeg op is.
Mocht de kokos weer hard worden, weer opnieuw laten stomen.
De kokosballetjes zijn het lekkerst als ze warm zijn, je kunt ze in de stomer opwarmen.