Laat de katjang idjo één nacht van tevoren weken in water.
Kook de erwtjes de volgende dag met zoveel water dat ze net onderstaan en voeg zout naar smaak toe.
Als de erwtjes zacht zijn, voegt u goela djawa en pandablad toe.
Laat die meekoken, totdat het geheel gebonden is.
Voeg op het laatst de santen toe en bind het geheel met wat bloem.
Verwijder de pandan.
Het deeg;
Kneed van ketanmeel met zout en santen een deeg.
Maak er ballen van (zo groot als gehaktballen), plet ze op de hand, vul ze met een eetlepel vulling en sluit dan de ballen.
Het deeg moet goed om de vulling zitten.
Doe de balletjes in een pan met kokend water.
Als ze gaar zijn komen ze bovendrijven.
Rol ze hierna door de geraspte kokos.
Koud opdienen.