Kook de polenta volgens de aanwijzingen op de verpakking.
Vet een vierkante ovenschaal in met een beetje olie of boter en giet de warme polenta in deze vorm.
Laat het afkoelen.
De polenta stijft op als een stevige dikke gele ‘plak’.
Zodra de polenta ‘stijf’ is snij deze tot de gewenste stukken.
Snij de oranje puntpaprika in hele kleine blokjes en braad ze aan in een beetje olie.
Bestrooi ze met een beetje bouillonpoeder en een klein schepje suiker om ze enigszins te karamelliseren.
Als de stukjes redelijk gaar zijn kun je er een scheut schenkhoning (of een kleine eetlepel dikkere honing) bij doen.
Goed roeren en doe dan een klontje boter erbij.
Als het geheel gaar is, wordt het verdeeld in twee delen.
Eén deel wordt gebruikt om tot een saus te pureren, het andere deel wordt later benut.
Bestrooi de kipfilets met een beetje kippenbouillon poeder en wat peper.
De andere zijde smeer je dun in met mosterd en bestrijk ze met de geperste knoflook.
Braad nu de eerste zijde van de kipfilets aan in een andere pan met een beetje olie.
Als de eerste zijde is aangebraden keer je de filets om.
Zorg ervoor dat het vuur niet te hoog staat want de knoflook mag niet verbranden.
Braad de stukjes dus met beleid aan zodat ze lichtbruin worden.
Pak ze uit de pan en snijdt ze op maat van het stukje polenta.