Men reinigt de paddestoelen zorgvuldig, smelt een flink stuk boter met een beetje gesnipperde ui, even doorstoven en dan de paddestoelen toevoegen met het sap van een ½ citroen, ongeveer 3 deciliter vocht of bouillon, zout en wat peper.
Met dichte deksel zachtjes laten doorsmoren [in een grote, platte koekenpan] circa 20 minuten.
Intussen de niertjes [wanneer men deze kiest] in 1 liter water met wat soepgroenten, 1 nageltje en laurierblad, peper, zout, 20 minutenkoken, dan dadelijk eruit en fijn snijden.
Van deze bouillon en het vocht van de paddestoelen of, indien men gerookte tong gebruikt, van melk met paddestoelenvocht, maakt men een bloemsausje ter dikte van mayonnaise.
Vermeng dit met de paddestoelen en vul hiermee een beboterd vuurvast schoteltje.
Leg er de niertjes of de gerookte tong op, zodat alles bedekt is.
Men slaat 6 of 8 eieren met een kop melk door elkaar, [zout en peper] en maakt een niet te droog roerei, dat niet te fijn geroerd mag worden, maar met lange streken van de lepel over de pan afgeschept wordt.
Daarna het roerei over de vleeslaag spreiden, geraspte kaas eroverheen strooien en het geheel met bovenwarmte in een goed warme oven even gratineren.