Week de erwten een nacht in het water.
Voeg het spek en de krabbetjes toe, breng langzaam aan de kook en laat zachtjes sudderen.
Doe tijm, laurier, lavas en kruidnagel erbij.
Haal na 1,5 tot 2 uur het spek en de krabbetjes uit de pan.
Voeg met tussenpozen de knolselderij en wortel, daarna prei en ui en vervolgens de aardappelen toe.
Leg de rookworst erbij en laat nog circa 20 minuten sudderen tot deze gaar is.
Haal het vlees van de krabbetjes en snijd in blokjes.
Snijd de rookworst in plakjes en doe samen met het vlees terug in de soep.
Breng op smaak met peper en zout en bestrooi met selderijgroen.
Serveer het spek apart op roggebrood.