Open de Jacobsschelpen door met een (oester-)mes de sluitspier tussen de beide schelphelften door te snijden.
Maak de schelpdieren met de oranjerode kuit met behulp van een lepel van de schelpen los.
Was ze voorzichtig onder stromend water.
Breng de sjalotjes met de wijn en eenzelfde hoeveelheid water, waaraan een beetje zout is toegevoegd, aan de kook.
Pocheer de mosselen er gedurende 2 minuten aan iedere zijde in.
Haal ze met een schuimspaan uit het vocht en houd ze warm.
Leg de garnalen in het vocht en schep die er na 20 seconden weer uit.
Leg ze bij de mosselen.
Kook het pocheervocht snel in tot er niet veel meer dan 4 eetlepels is overge bleven.
Legde boter in het vocht en giet de slagroom (kamertemperatuur) er bij.
Laat alles boven een hoog vuur zolang koken tot de boter gesmolten is.
Neem dan het pan netje van het vuur en klop er de magere kaas en de bieslook door.
Verdeel de saus over de warme borden en leg de mosselen en de garnalen in de saus.